Op 4 maart 1896 vernielt een felle stadsbrand de kap en het interieur van de uit de tweede helft van de vijftiende eeuw daterende monumentale Hervormde Kerk te Asperen. Afbeeldingen uit die tijd geven een troosteloze blik op de gevolgen van deze brand. Zeker is dat deze driebeukige pseudobasilicale kruiskerk ten tijde van de brand geen orgel rijk was. Of er eerder een orgel aanwezig is geweest, is - zoals uit de Inleiding naar voren komt - twijfelachtig.
In 1897 wordt de herstelde kerk weer in gebruik genomen. Vijftien jaar later, in juni 1912, levert de Woerdense orgelmaker Mart. Vermeulen een nieuw orgel.
Te oordelen naar het bewaard gebleven pijpwerk zal dit geen fonkelnieuw instrument zijn geweest. Fabrikant/leverancier Vermeulen was meer een handelaar in orgels dan een orgelmaker in de huidige zin van het woord. Vaak kocht hij overbodig geworden instrumenten op, voorzag deze van een nieuwe kas inclusief front, een nieuwe klaviatuur en nieuwe mechanieken en presenteerde het resultaat als een nieuw orgel tegen een concurrerende prijs.
Uit bewaard gebleven fotomateriaal van de firma Vermeulen blijkt dat men over een eigen werkplaats beschikt waar nieuwe kassen, blaasbalgen, klavieren e.d. worden vervaardigd. Het in 1904 door Vermeulen geleverde orgel voor de Hervormde Kerk in Montfoort is een goed voorbeeld van deze handelwijze: nieuwe kas, nieuwe klaviatuur, oud pijpwerk, oude windlade. In Asperen werd het pijpwerk, voor zover nu nog valt na te gaan, betrokken van een toeleveringsbedrijf. De kosten van het Vermeulen-orgel bedragen f 7.762, waarvan f 6.180 voor de orgelmaker, f 975 voor de bouw van het oksaal en f 42,80 voor de Rotterdamse organist J.H. Besselaar, die het instrument examineert. Besselaars keuringsrapport is niet bewaard gebleven. De orgelkas krijgt forse afmetingen: 560 cm breed, 200 cm diep en aan de zijkant ca. 435 cm hoog. Of het neogotische front voor Asperen is gemaakt of van elders afkomstig is, blijkt niet uit de archiefstukken. Aanvankelijk verricht de firma Verrneulen het onderhoud. Later, vermoedelijk in 1938, gaat het onderhoud over op de Utrechtse orgelmakersfirma J.C. Sanders & Zn. Volgens mededelingen ter plaatse zou Sanders de winddruk stelselmatig hebben verhoogd, zonder de intonatie aan te passen. In 1944 en 1945 pleegt de Zaanse orgelmaker D.A. Flentrop nog enig onderhoud. Een door hem in 1947 geadviseerde algehele revisie vindt geen doorgang.
De extreem koude winter van januari/maart 1963 en het daarop geënte stookgedrag zullen het orgel geen goed hebben gedaan. In oktober 1963 brengt de Orgelcommissie der Ned. Herv. Kerk rapport uit over de toestand waarin het orgel verkeert. De commissie constateert vele gebreken:
- er is veel door- en bijspraak;
- de pulpeten lekken;
- niet alle ventielen sluiten geheel;
- het pijpwerk is dunwandig, voorzien van kernsteken en expressions. Daardoor is de klank "van verschillende registers zeer slap en mist glans en karakter";
- het houten pijpwerk bevat veel houtworm;
- "de opstelling van het pijpwerk is niet een zodanige, dat een maximum aan klank in de kerkruimte wordt verkregen."
De commissie concludeert dat restauratie wel mogelijk is, maar niet aanbevelenswaardig. De "reële waarde" van het instrument is immers niet groot.
Enkele punten uit de inmiddels sterk gedateerde nadere toelichting van de commissie:
• "Het orgel is een product uit een tijd, welke algemeen wordt aangeduid als een tijd van verval in de orgelbouw."
• "Men heeft bij de intonatie niet gestreefd naar een heldere, zangrijke, karaktervolle toon gelijk in de bloeitijd van de orgelbouw in het verleden en zoals ook heden ten dage wederom wordt agestreefd, doch men heeft bewust genoegen genomen met een tamelijk slappe en weinig zangrijke (boventoonarme) klank."
• "De dispositie (registersamenstelling) geeft niet een opbouw te zien waar aan alle 'werken' (hoofdw., zwelw., ped.) op gelijke mate recht is gedaan, zodat ieder werk in zichzelf een zelfstandigheid vormt. Met name het pedaal is er zeer slecht af gekomen met twee zestiensvoets- en één achtvoetsregister. Het tweede klavier (het zwelwerk) is overmatig bezet met achtvoetsregisters, terwijl allerlei belangrijke registers ontbreken; waardoor dit klavier voor aansterking van de totaal klank en als
tegenhanger van het hoofdwerk van geen betekenis is."
De conclusie is duidelijk: restauratie van het bestaande instrument wordt ontraden. Zo snel mogelijke vervanging verdient de voorkeur.
De Hervormde Gemeente volgt dit advies deels op: het Vermeulen-orgel wordt niet gerestaureerd. In 1969 stelt men het buiten gebruik. Het pijpwerk word verkocht aan gemeenteleden. Slechts drie registers blijven integraal bewaard en zijn momenteel in de kerk opgeslagen. De opbrengst van de pijpverkoop is bestemd voor de restauratie van het kerkgebouw.
Tot de bouw van een nieuw orgel komt het echter niet, hoewel daartoe verschillende plannen zijn ontwikkeld. Als "tijdelijke oplossing" volstaat men met de plaatsing van een Heyligers elektronicum. Het Vermeulen-front gaat ongeveer 40 jaar dienst doen als camouflage voor een batterij luidsprekers.
Nadat is besloten tot aankoop en restauratie van een door J.F. Witte gebouwd orgel over te gaan, wordt de kas eind 2007 verkocht aan en gedemonteerd door de Groninger orgelmaker Sicco Steendam.