Reeds in de negentiende eeuw geniet Rotterdam een reputatie als havenstad van internationale betekenis. Die positie werd echter bedreigd door de geleidelijke verzanding van de Brielse Maas, reden om te zoeken naar een alternatieve vaarroute. Een nieuwe vaarroute, via Voorne, blijkt op termijn ook geen afdoende oplossing te bieden. Het probleem van de verslechterende bereikbaarheid wordt definitief opgelost met de aanleg van de Nieuwe Waterweg, een door ir. Pieter Caland ontworpen kanaal ten noorden van de Brielse Maas, uitmondend in de Noordzee. Rotterdam is vanaf dat jaar weer bereikbaar voor de steeds groter wordende zeeschepen en zal dat blijven.
Vanaf de jaren zeventig van de negentiende eeuw ontwikkelen havens en stad zich onstuimig. Omliggende plaatsen zoals Delfshaven en Kralingen worden geannexeerd. De door de landbouwcrisis sterk teruglopende werkgelegenheid in de agrarische sector en het alsmaar groeiende aantal arbeidsplaatsen in de havens dragen ertoe bij dat veel boeren hun heil zoeken in de stad. Tussen 1880 en 1900 groeide de bevolking van 160.000 naar 315.000, een verdubbeling dus. Nieuwe wijken schoten als paddestoelen uit de grond. De nieuwe arbeiders moesten immers gehuisvest worden.
In die tijd volgt de kerkbouw de bouw van de wijken. De oude Hervormde binnenstadskerken (Grote of St.-Laurenskerk, Prinsenkerk en Oosterkerk) komen al snel te ver van de potentiële kerkgangers te liggen. Achtereenvolgens verrijzen de Zuiderkerk (1850, Gedempte Glashaven) en de Westerkerk (1872, Kruiskade) om in dit “euvel” te voorzien.
In de jaren negentig van de negentiende eeuw ontwikkelen kerkmeesters (“Gecommitteerden tot de zaken der Ned. Hervormde Gemeente te Rotterdam”) de eerste plannen voor de bouw van een nieuwe kerk in het noorden van de stad, in de Jacob Catsstraat. Dankzij een royale gift van een anonieme schenker levert de financiering van de kerkbouw geen problemen op.
Op vrijdag 3 april 1891 vindt de eerstesteenlegging plaats. De onder architectuur van de Rotterdamse architect B. Hooykaas jr. (1855-1934) in neorenaissance stijl gebouwde, 1400 zitplaatsen tellende kerk wordt op 5 juni 1892 in gebruik genomen. Omdat voor de bouw van een passend orgel vooralsnog de benodigde fondsen ontbreken, besluiten kerkmeesters de inwijding op te luisteren met een (gehuurd) “seraphine-orgel” (harmonium).
Enkele maanden na de inwijding van de Noorderkerk valt de definitieve beslissing over de bouw van een orgel. De onbekende schenker van de bouwsom voor het kerkgebouw verklaart zich namelijk – onder enkele voorwaarden – bereid het in het orgelfonds aanwezige bedrag aan te vullen tot het benodigde om “een doelmatig orgel te doen daarstellen.”
Architect Hooykaas, met Van ‘t Kruijs (de organist van de Grote of St.-Laurenskerk) als adviseur bij het project betrokken, heeft inmiddels een tekening gemaakt van de orgelkas en de daarop aan te brengen ornamenten. De schenker heeft zich daarmee akkoord verklaard.
Op verzoek van Hooykaas ontwerpt Van ’t Kruijs twee disposities. Daarbij staat hem een orgel voor ogen “uitsluitend bestemd tot begeleiding van het kerkgezang, een orgel dat door statig geluid de plechtigheid van onze Kerkdiensten zal verhoogen. Bij verscheidenheid van registers is alles op een orgel voor kerkdiensten (in tegenstelling der zoogenaamde nieuwere - concertorgels) gebaseerd.”
Van ’t Kruijs levert twee disposities in: een van 21 stemmen en een van 27 stemmen. Beide passen “volkomen” in de Noorderkerk, beide zijn berekend op een maximaal aantal kerkgangers. De tweede dispositie is echter “vollediger, schooner en acht ik de Bazuin, daarin opgenomen een groote aanwinst”.
Wat betreft de orgelmaker aan wie het werk zal worden gegund schrijft Van ’t Kruijs :
“J.F. Witte (firma J. Bätz en Cie) te Utrecht, heeft steeds de orgels in onze Herv. kerken geleverd en onderhouden. Indien genoemde heer niet te hooge eischen stelt, zou ik het hem, onder toezicht, wel opgedragen willen zien, te meer daar de andere orgelfabrikanten die na hem genoemd kunnen worden, Katholieken zijn.” Een medio november door Corn. Immig ingediend verzoek om naast Witte ook Van Oeckelen, Van Dam en Bakker & Timmenga een offerte te laten maken, wordt door kerkmeesters voor kennisgeving aangenomen.
De voorkeur voor Witte is niet verwonderlijk. In 1844 immers voltooide de firma J. Bätz & Co., nadat de Hervormde Gemeente zich decennia lang had moeten behelpen met een onvoltooid orgel, op afdoende wijze het orgel in de St.-Laurenskerk. Sedertdien leverden de Wittes tot volle tevredenheid van hun opdrachtgevers de nodige nieuwe instrumenten in andere Rotterdamse kerken en in de de randgemeenten. Genoemd kunnen worden, naast bovengenoemde orgels voor de Zuider- en de Westerkerk, de Waalse Kerk (1865), de beide Oud-Katholieke kerken (1858 resp. 1859, waarbij veel afkomend pijpwerk opnieuw werd gebruikt), alsmede Delfshaven (1855) en Kralingen (1857).
J.F. Witte
In het najaar van 1892 vinden de eerste besprekingen plaats tussen Van ’t Kruijs en Hooykaas enerzijds en Witte anderzijds. De heren zijn het snel met elkaar eens. Witte zal een plan indienen. Over de hoofdzaken “bestond geen verschil in gevoelen”.
Een door Hooykaas gemaakte tekening van het orgelfront wordt na enkele, op de ornamentiek betrekking hebbende kleine aanpassingen na, goedgekeurd. Op uitdrukkelijk verzoek van de schenker zal de orgelkas in de balustrade worden opgenomen. Een beeld op de middentoren zal het geheel bekronen.
De eerste wens van de schenker heeft wel als consequentie dat er geen koren op de galerij kunnen worden opgesteld, een in protestantse hoofdkerken steeds meer in zwang komende praktijk (zie bijvoorbeeld de door J.F. Witte gebouwde orgels in Den Haag Grote Kerk 1882, Amsterdam Oude Lutherse Kerk 1886, Hoorn Grote Kerk 1889). Het te bouwen orgel moet een puur op de begeleiding van de gemeentezang gericht instrument worden. Daar horen geen zwelkast bij, geen centraal voor het orgel geplaatste vrijstaande speeltafel en geen voorzieningen die het mogelijk maken groepen registers snel af te sluiten. Waar een of meer van deze voorzieningen ontbreken is het orgel minder geschikt voor concertant gebruik.
Het eenvoudiger type realiseert Witte in enkele grote stadskerken, zoals de Buurkerk in Utrecht (1883, overigens met afsluiters en zwelkast) en de Hervormde Koepelkerk in Amsterdam (1887).
Wat de achtergrond is van de tweede wens van de schenker, het plaatsen van een engel op de middentoren, komt uit de archiefstukken niet naar voren. Het lijkt evenwel niet onwaarschijnlijk dat de schenker zich geïnspireerd heeft geweten door de bazuinblazende engel op de middentoren van het orgel in de St.-Laurenskerk. De putti aan de voeten van de engel zijn in het Noorderkerksorgel overigens op de zijtorens terechtgekomen!
Medio januari 1893 dient Witte een conceptcontract in. Naar zijn gewoonte licht hij dat per brief uitvoerig toe. Enkele hoofdlijnen:
1. Bij het opstellen van de dispositie heeft Witte “volgens afspraak aangenomen dat dit orgel niet zoozeer bestemd is voor concert- en kooruitvoeringen, dan wel meer bepaaldelijk voor gebruik bij den kerkdienst, – doch dat in laatstgenoemd opzigt verlangd wordt dat het op onbekrompen wijze in de behoeften voorziet en aan alle billijke eischen beantwoordt.” Witte heeft “daarom gemeend sommige minder nodige doch vrij kostbare mechanische inrigtingen niet in mijn plan te moeten opnemen, – doch heb daarentegen ten opzigte van het geluid iets meer voorgesteld dan hetgeen bepaald onmisbaar genoemd zou kunnen worden.”
2. Voor het toezicht op het werk tijdens de bouw voelt Witte niets. “Het instellen van toezigt tijdens de bewerking doet onwillekeurig denken aan twijfel omtrent de soliditeit der uitvoering. Deze weinig vleijende verpligting is dan ook nog nooit door eenig Kerkbestuur aan mijne firma opgelegd. Daar ik dus vermoed dat zulks hier een persoonlijk verlangen van den stichter der kerk en vermoedelijken gever van het orgel betreft, wil ik evenwel gaarne diens wensch eerbiedigen, en zal het mij dus aangenaam zijn af en toe den Heer v.’t Kruijs bij mij te zien. –”
3. Een garantietermijn van 10 jaar vindt Witte aan de royale kant. Anderzijds kan hij ook wel begrip opbrengen voor deze wens van kerkmeesters. De laatste jaren zijn er immers veel slechte ervaringen met het voor de abstracten benodigde koperdraad opgedaan. Witte “wil dan ook niet aarzelen deze risico te aanvaarden, daarbij ook vertrouwende op de meerdere duurzaamheid der sedert eenige jaren verkrijgbare en van toen af steeds door mij gebruikte bronsdraad.”
4. Indien enige bezuiniging wenselijk is dan zouden de Violon 8 voet (manuaal I), de Gemshoorn 8 voet (manuaal II) en de Bourdon 8 voet (pedaal) weggelaten kunnen worden. Hoewel dit voor afwisseling en kleur van het geluid uit artistiek oogpunt zeer jammer zou zijn, zou zulks op de gewone begeleiding van het kerkgezang nog niet veel invloed hebben.
Verder laat de dispositie ons het voor de negentiende eeuw vertrouwde beeld zien bij de protestantse orgelmakers: krachtig hoofdmanuaal, bovenmanuaal met zachtere “geluiden” om het gemoed ontvankelijk te maken voor godsdienstige gevoelens, en - bij de grotere orgels - een krachtig pedaal.
Opmerkelijk in de voorgestelde dispositie is het ontbreken van een Quint 3 voet op het hoofdmanuaal. In de voorbesprekingen ontbreekt hiervoor de motivering. Van ’t Kruijs was echter een verklaard tegenstander van een 3-voets register. Elders kwalificeert hij dit als “volkomen nutteloos”. Witte, die altijd een 3 voet in zijn disposities opneemt, compenseert dit gemis enigszins door het disponeren van een Quintadena 8 voet.
Van ’t Kruijs tekent bezwaar aan tegen het combineren van het groot octaaf van enkele registers en het gebruik van hout voor de niet in het front staande pijpen van de Prestant 16 voet. Over het laatste punt is Witte evenmin gelukkig: “Ten opzigte van het geluid valt natuurlijk niet te ontkennen dat open pijpen de voorkeur verdienen.”
Witte is bereid de grootste Prestantpijpen van tin te maken en voor eigen rekening te leveren.
Wat betreft het combineren van sommige registers in het groot octaaf geeft Witte een uitgebreid exposé:
“Het combineeren van sommige registers in het groot octaaf is insgelijks gebaseerd op besparing van plaatsruimte en kosten. Zoolang het niet al te ver uitgestrekt en in de intonatie behoorlijk bijgewerkt wordt, is het aan het geluid niet hinderlijk en wordt zonder opzettelijk onderzoek zelfs bezwaarlijk opgemerkt. In oudere orgels treft men het zelden aan, – doch daar het met overtuiging kan worden aanbevolen als een zeer doeltreffend middel om de dispositie te versterken zonder de plaatsruimte en kosten in gelijke mate te doen toenemen, is het met goed gevolg in vele nieuwere orgels toegepast. Ik meende dus volkomen vrijheid te vinden om ook hier van het groot aantal 8 Voets labiaal stemmen eenige bij elkaar passende te combineeren, te meer omdat de hoogteafmeting der kast niet toelaat het pijpwerk over 2 verdiepingen boven elkaar te verdeelen en dientengevolge de beschikbare ruimte zonder gebruikmaking van combinatie te gering zou zijn voor eene onbekrompen plaatsing dezer dispositie.”
Witte concludeert: het laten doorlopen van de Viola 8 voet (manuaal II) levert geen bezwaren op, al blijft het stemmen moeilijk. Voor het groot octaaf van de Violon 8 voet (manuaal I) is de ruimte echter beperkt (het groot octaaf zou direct achter het front een plaats moeten krijgen, wat de “uitstrooming van het geluid” zou belemmeren) en voor het groot octaaf van de Gemshoorn 8 voet (manuaal II) is er in het geheel geen plaats (plaatsing zou tot vergroting van de kas leiden). Uiteindelijk wordt besloten de Viola te laten doorlopen. Het groot octaaf van de Violon en dat van de Gemshoorn zullen worden gecombineerd met dat van respectievelijk de Prestant 8 voet en de Holfluit 8 voet.
Met Hooykaas wordt overeengekomen de orgelkas geheel in Rotterdam te laten vervaardigen, met uitzondering van de betimmering rond de klaviatuur. Witte neemt het vernissen van de frontpijpen (als bescherming tegen het vocht) en het vergulden van de labia van de frontpijpen voor zijn rekening.
Op 24 februari 1893 wordt het contract (“Conditien en Voorwaarden” – zie Bijlage 1) getekend. De prijs van het orgel bedraagt ƒ 11.400, te betalen in twee termijnen: de eerste ad ƒ 6.000 wanneer met de plaatsing van het binnenwerk wordt begonnen, de tweede ad ƒ 5.400 wanneer het orgel is voltooid.
Witte maakt, naar gewoonte, een indrukwekkende serie (gewassen) werktekeningen van het op te bouwen orgelinterieur. Enkele voorbeelden zijn opgenomen in Bijlage 2.
In maart 1894 begint de firma Van Malsen uit Den Haag met de bouw van de orgelkas. De opbouw levert enige vertraging op. Witte kan daardoor pas na Pinksteren met de plaatsing van het binnenwerk beginnen.
INGEBRUIKNEMING IN DECEMBER 1894
Op 14 december 1894 is het orgel gereed. Van ’t Kruijs bespeelt het voor genodigden. Het (gedrukte) bewijs van toegang/programma van deze bespeling is bewaard gebleven. Bij vrijwel alle werken worden de gebruikte registraties vermeld. Het programma is zo ingericht “dat het tevens tot uitnoodiging- en toegangsbiljet dient voor een Heer en zijne Dames.”
Twee dagen later volgt de kerkelijke ingebruikneming met een op Psalm 150 vers 4 gebaseerde rede van ds. Roose. Van ’t Kruijs begeleidt ’s morgens de gemeentezang, Schravezande ’s avonds.
Kerkmeesters reageren positief op een verzoek van de firma Enk en Birkhoff “eene photographie van het orgel in de Noorderkerk in den handel te brengen.”
Joz. Schravesande, organist van de Westerkerk te Rotterdam, wordt op diens verzoek benoemd tot organist van de Noorderkerk.
PERSCOMMENTAREN
In de pers verschijnen, voorafgaand aan de ingebruikneming, lovende berichten over het nieuwe orgel. Een kleine bloemlezing:
De Rotterdamsche Kerkbode van zaterdag 15 december 1894:
“Het geheel is door den heer WITTE met de grootste nauwkeurigheid en alles van de beste grondstoffen vervaardigd.
[…..]
De intonatie der registers (onder intonatie wordt verstaan het juiste karakter en de kracht die iedere pijp moet voortbrengen) is buitengewoon mooi; wat trouwens niet te verwonderen is, omdat de heer WITTE al sedert vele jaren bekend staat als de beste orgelfabrikant die ons land bezit. De registers spreken als zeer gemakkelijk aan, terwijl het geheel, zonder overdreven scherpte van geluid, voldoende draagkracht voor de kerk heeft en een nobel, ernstig geluid voortbrengt.”
Rotterdamsch Nieuwsblad van december 1894:
“Hedenmiddag te 2 ½ uur is in de Noorderkerk het nieuwe orgel door den heer M.H. van ’t Kruys voor een groote schaar genoodigden ingewijd. De nummers van het programma waren er op berekend de onderdeelen van het orgel in hun fraaien klank te doen uitkomen en deze berekening heeft niet gefaald. Er was één roep over den welluidenden toon en het deftige nobele geluid.
[…..]
De mechaniek is van zeer solide constructie en van het beste materiaal, de heer Van ’t Kruys betuigde, dat de speelaard heel gemakkelijk is, alle onderdeelen werken geregeld en geruischloos.
[…..]
Het front uit de kerk gezien, gelijkt eenigszins op dat van de Groote Kerk. De kleur is van een deftig bruin, geheel in den toon van het overige houtwerk. Het is, van den oxaal gerekend, ongeveer 12 meter hoog, er zijn twee zijtorens en een dubbele middeltoren, het geheel bekroond door den bazuinengel en geornamenteerd met musiceerende engelengroepen.
Volgens de verklaring van den heer Van ’t Kruys is dit orgel er een, dat men gewoonlijk in hoofdkerken aantreft, voor een kerk als deze een waar sieraad. Van onze Rotterdamsche orgels is het een der grootsten, in rang staat het tusschen die van de Zuiderkerk en de Oosterkerk in.”
Caecilia van 15 december 1894:
“Het nieuwe orgel in de Noorderkerk te Rotterdam is 14 December ingewijd en wordt 16 December voor het eerst bij de godsdienstoefening gebruikt.
Het orgel, dat uitmunt door fraaie intonatie, nobel geluid en vlugge aanspraak, doet den vervaardiger, den heer J.F. Witte te Utrecht, alle eer aan.
[…..]
De kast, geheel in den stijl van de kerk door den architect den heer B. Hooijkaas ontworpen, is zeer fraai.
Het is bijna overbodig mede te deelen, dat de heer Witte alle deelen van het werk van het beste materiaal en op de zorgvuldigste wijze heeft afgewerkt, terwijl de dispositie doet zien dat het orgel geen gebrek heeft aan verscheidenheid van geluiden.”
Onbekend periodiek december 1894:
“Het orgel, dat boven den kansel is gebouwd, maakt bij het intreden van de kerk reeds een gunstigen indruk. Het is grooter dan dat in de Westerkerk, geornamenteerd o.a. met een engel met bazuin op den top en de fraaie kast geschilderd in overeenstemming met het kerkgebouw is een waar sieraad.
[…..]
Bij de bespeling kwam de voortreffelijkheid in alle opzichten uit.
[…..]
De fraaie toon zoowel in het piano als forte werd door iedereen geroemd en de gemeente zij van harte gelukgewenscht met dit kostbare geschenk, dat den kerkzang zal opluisteren.
De orgelkas werd vervaardigd door de firma Gebr. van Malsen uit Den Haag. N.L.F. Kok van de Rotterdamse firma Kleikamp en Kok tekende voor het beeldhouwwerk.
De totale aan de bouw van het orgel verbonden kosten bedroegen ƒ 17.000.”
PROBLEMEN DOOR GASVERLICHTING
Bij de kerkelijke ingebruikneming zou overigens niet alles op rolletjes verlopen.
’s Avonds leidt het grote bezoekersaantal en de warmte van de gaskroon tot een temperatuur op de orgelgalerij van 71o Fahrenheit (= 22o Celsius) en een extreem hoge vochtigheidsgraad.
Dit resulteert in een condensatie van grote omvang. Witte schrijft hierover in een brief van 18 december aan kerkmeesters:
“Nadat Zondag aanvankelijk alles naar wensch was gegaan, begonnen tijdens de avonddienst de klaviertoetsen op te zwellen en op de geleidestiften vast te klemmen, geheel ten gevolge der vochtige atmosfeer die bij het buitengewoon druk kerkbezoek in het gebouw heerschte. Ook eenige andere deelen van het orgel ondervonden den nadeeligen invloed van het vocht, doch gaven minder aanleiding tot hinderlijke storing. De neerslag van water was zo beduidend dat dit met druppels en stralen langs de pijpen en de orgelkast neerviel en op de blaasbalg zelfs plassen van tamelijken omvang vormde. Gelukkig heeft dit laatste geene schade aangerigt. […..] Daar nu ook gister morgen alles van zelf weer geheel in normalen toestand was teruggekeerd, kan met volkomen zekerheid worden vastgesteld dat het ongemak uitsluitend aan de vochtige dampkring bij een druk kerkbezoek toegeschreven moet worden.”
Ook de frontpijpen raken ontstemd. Dit euvel herstelt zich ook vanzelf, waaruit (volgens Witte) “genoegzaam blijkt dat de tijdelijke ontstemming alleen aan de groote hitte van het gaslicht te wijten is.”
Witte maakt gebruik van de gelegenheid zijn ongenoegen te ventileren over het optreden van organist Schravesande. In voorzichtige doch stellige bewoordingen uit hij zijn kritiek:
“Het is zeer begrijpelijk dat dit een en ander den organist [i.c. Joz. Schravesande, dT] bij zijn eerste optreden in deze kerk onaangenaam stemde. Vooral het blijven vastzitten der toetsen was zeer hinderlijk. Toch is het wel eenigzins twijfelachtig of dit een onoverkomelijk bezwaar opleverde om na afloop der kerkdienst het gebruikelijke naspel te houden, aangezien het hoofdklavier des noods nog wel gebruikt kon worden. Geheel onnoodig en zeer ontstichtend was het echter dat hij onmiddelijk deze toetsen afzonderlijk ging proberen, en daarna ten aanhoore der geheele gemeente het orgel opzettelijk liet huilen, hoezeer mijn aanwezige bediende daartegen ook protesteerde. Indien naar zijne meening het orgel op dat oogenblik welligt voor verdere bespeling ongeschikt was, had het toch op geen geval in een zoo ongunstig licht gesteld behoeven en behooren te worden als nu geschied is. Terwijl er vooraf volstrekt geen vrees voor belemmering in het gebruik bestond en deze dus niet voorkomen kon worden, had toch door eene andere handelwijze van den organist de indruk op het publiek aanmerkelijk verzacht en misschien zelfs geheel vermeden kunnen worden. – Volgens afspraak zou hij gistermorgen op het orgel gekomen zijn om zich te overtuigen dat de gebreken slechts van voorbijgaanden aard waren, - doch is niet verschenen.”
Kerkmeesters besluiten daarop het licht van de grote gaskroon voortaan te temperen.
Begin februari 1895 wordt gerapporteerd dat het orgel goed blijft voldoen en dat het getemperde licht geen aanleiding meer geeft tot klachten.
KRITIEK OP DE DISPOSITIE DOOR ORGANIST SCHRAVESANDE
Een half jaar na de ingebruikneming komt organist Schravesande, die reeds bij de ingebruikneming kritiek had op de dispositie, met een groot aantal bezwaren:
- De sologeluiden zijn prachtig, het volle werk klinkt bij een goed bezette kerk echter niet krachtig genoeg. De samenstelling van de dispositie is dan ook minder gelukkig.
- De windladen hadden beter boven dan achter elkaar geplaatst kunnen worden.
- De windtoevoer had groter moeten zijn.
- Enkele registers hadden wat sterker geïntoneerd moeten zijn.
Volgens Schravesande zou Witte hierop letterlijk het volgende hebben geantwoord: “Ja, ziet U, het is een mooi orgel en goed gemaakt, maar ware het in mijne keus geweest, dan had ik liever de kast tegen den muur gebouwd, de windladen niet voor maar boven elkander geplaatst, de blaasbalgen op een andere plaats gelegd, de Subbas open in plaats van gedekt, een prestant 16 vt in plaats van Bourdon op het Manuaal – en zoo somde hij nog vele opmerkingen geheel in mijn geest op – het Orgel zou zeker krachtiger geklonken hebben.”
Schravesande adviseert kerkmeesters aan achter- en bovenzijde enkele luiken aan te brengen die met een koord geopend kunnen worden. De helderheid van toon zal hierdoor bevorderd worden.
De uitgebreide reactie van Witte is gematigd van toon. Hij betreurt de uitlatingen van Schravesande zeer. Op de omstandigheden heeft hij geen invloed gehad. Naar de wens van de schenker moest het orgel vooraan op de galerij komen en met een beeld worden bekroond. De gaanderijvloer maakt het onmogelijk de blaasbalgen buiten de orgelkast te leggen en voor twee trappers in te richten. Daarom kan de muur niet als achterwand worden gebruikt, de windladen kunnen niet boven elkaar worden gelegd (wat bij de meeste andere qua grootte vergelijkbare orgels wel het geval is), voor een open Subbas ontbreekt de ruimte.
Wat Witte schrijft over de dispositie volgt hieronder in extenso. Het geeft een goed beeld van wat deze orgelmaker van belang vindt voor de gemeentezangbegeleiding:
“De dispositie is vastgesteld na gemeenschappelijk overleg tusschen den Heer van ’t Kruijs en mij, en wijkt dus eenigzins af van hetgeen wij ons ieder afzonderlijk hadden voorgesteld, doch daar de aangebrachte wijzigingen niet van overwegend belang zijn en het geluid daarbij niet in kracht heeft verloren, kunnen wij beiden met de aangenomen dispositie ons zeer goed vereenigen. De tongwerken hadden zeer gemakkelijk wat sterker geïntoneerd kunnen worden, doch zou daardoor het geluid meer ruw zijn geworden.
[…..]
Wanneer de heer S. het orgel niet krachtig genoeg oordeelt voor eene druk bezette kerkbeurt, kan ik deze mening dus niet onvoorwaardelijk deelen. Natuurlijk is dit eenigzins een onderwerp van smaak. Naar mijne opvatting behoort een orgel het kerkgezang krachtig te ondersteunen en op te luisteren, maar behoeft die niet geheel te overheerschen. Daarenboven heeft een zogenaamd sterk geluid dien naam meestal meer te danken aan eene zekere mate van scherpte en ruwheid van toon dan wel aan ware en degelijke kracht. Aan deze laatste ontbreekt het dit orgel waarlijk niet, doch de beide eerstgenoemde en hier volstrekt niet gewenschte eigenschappen heb ik opzettelijk zorgvuldig vermeden. – Ook mag niet onopgemerkt blijven dat het orgel niet te zwak klonk toen het op den dag der inwijding door den Heer van ’t Kruijs bespeeld werd, bij welke gelegenheid het kerkgebouw toch ook buitengewoon druk bezocht was. Onwillekeurig doet zich dus de vraag op of de heer S. van het orgel wel een zoodanig gebruik maakt als daarvan gemaakt kan en behoort te worden.”
Voor de door Schravesande geopperde beweegbare luikenconstructie voelt Witte niets. Dit heeft weinig effect; bovendien is het niet te vermijden dat er vuil in de pijpen valt. Kerkmeesters nemen Wittes ideeën onverkort over. Zij zien zich genoodzaakt, indien het orgel niet behoorlijk wordt bespeeld, Schravesande als organist te ontslaan.
ENKELE OPMERKINGEN OVER HET ORGELFRONT
In de late tweede helft van de negentiende eeuw geniet de neorenaissance stijl een zekere populariteit onder de architecten van protestantse huize. Het spreekt dan ook min of meer vanzelf dat de Noorderkerk in deze stijl wordt opgetrokken. En het spreekt eveneens vanzelf dat in het orgelfront deze stijl herkenbaar zou moeten terugkeren. Immers, architect Hooykaas ontwierp zowel het kerkgebouw als de orgelkas. Toch is de architect niet geheel in die opzet geslaagd. Het orgelfront bevat zeker elementen uit de neorenaissance, zoals de diamantkoppen en de zijwangen. Maar met name de (overigens stilistisch moeilijk te duiden) draperieën die de pijpvelden aan de bovenzijde afsluiten, wijzen in een andere richting. En wel naar het front van het kapitale orgel dat tot de meidagen van 1940 de hoofdkerk van Rotterdam, de St.-Laurenskerk, sierde. We kunnen wat betreft het Noorderkerkfront dan ook beter van een eclecticistische ornamentiek spreken dan van een ornamentiek die op neorenaissancistische uitgangspunten is gebaseerd.
Zowel contemporaine als latere bronnen wijzen ook op een zekere verwantschap tussen het front van de Noorderkerk en dat van de hoofdkas van het toenmalige orgel in de St.-Laurenskerk. Of deze verwantschap een wens van de onbekende schenker was, is niet bekend. Erg groot is deze verwantschap overigens niet uitgevallen, zoals hieronder nader wordt toegelicht.
De ornamentiek van het St.-Laurensfront was bijzonder fraai uitgewerkt. Wie vroeger ooit in de gelegenheid is geweest dit ensemble te bestuderen, moet van deze invulling van het ornamentele schema diep onder de indruk zijn geraakt. Vazen, blad- en vruchtenslingers, kraal- en verdere lijsten, acanthus en andere elementen in de toen in de mode zijnde Lodewijk XVI-stijl laten zien dat in Rotterdam kosten noch moeite zijn gespaard niet alleen de klank, maar ook de decoratie van de kas concurrerend te laten zijn met het beroemde orgel in de Haarlemse St.-Bavokerk. De gedetailleerde foto’s in het door J.H. Besselaar jr. geschreven boekje over het orgel tonen ons de genoemde ornamenten in volle glorie. In vrijwel niets lijkt het ornamentele schema van het Noorderkerkorgel op dat van de St.-Laurens.
Wat betreft de gerealiseerde frontschema’s zijn de overeenkomsten tussen beide fronten groter, al levert een orgel met 72 stemmen en een 32-voets Prestant in de zijtorens uiteraard visueel een totaal ander beeld op dan een orgel met in de zijtorens een Prestant waarvan de langste frontpijp een lengte heeft van nauwelijks 12 voet.
Een karakteristiek, hoewel niet uniek kenmerk van de eind achttiende-eeuwse Rotterdamse Giudici-kas is de gedeelde middentoren. Het principe van een gedeelde toren is in ons land aanvankelijk spaarzaam, maar later frequenter toegepast en het lijkt, voorzichtig gezegd, niet onwaarschijnlijk dat het St.-Laurensfront daarop in een aantal gevallen inspirerend heeft gewerkt.
De verbinding tussen middentoren en zijtorens laat bij beide fronten een ongedeeld veld zien. In het brede St.-Laurensfront flankeren drie gedeelde veldjes de middentoren. Deze veldjes ontbreken in het orgelfront van de Noorderkerk.
Opvallend kenmerk van het St.-Laurensfront is de breedte van de middentoren, een breedte die aan Silbermann-fronten doet denken. Het Noorderkerkorgel laat meer gebruikelijke proporties zien.
ONDERHOUD IN DE LOOP DER JAREN
In de periode tot 1903 krijgt de firma J. Bätz & Co. het orgel in onderhoud. Na de liquidatie van de firma draagt men, op advies van Laurenskerk-organist Hendrik de Vries, het onderhoud op aan de Rotterdamse orgelmaker Jan van der Kleij. In 1917, dus ruim 20 jaar na de ingebruikneming, maakt Van der Kleij het orgel schoon en vernieuwt hij de toetsen van het pedaalklavier.
In 1923 overlijdt Jan van der Kleij. Zijn broer Gerrit (firma De Munck & Van der Kleij) zal voortaan het onderhoud verzorgen.
In 1927 volgt opnieuw een schoonmaak. De in enig jaar aangebrachte tremulant wordt vervangen door een pneumatisch exemplaar.
In 1941 voert de Utrechtse orgelmakersfirma J. de Koff & Zoon op voorstel van organist J.H. Besselaar jr. enkele reparaties uit:
- reparatie windladen;
- vernieuwing pedaalklavier;
- vervanging van de vaste orgelbank door een verstelbare, zonder bekleding;
- reparatie pijpwerk;
- wijziging intonatie Violon 8 voet: verlaging opsnede, aanbrengen zijbaarden, de grootste pijpen worden van freins voorzien, de kleinere van houten rolbaarden;
- de volgende registers worden geheel/gedeeltelijk van zijbaarden voorzien: van manuaal I Prestant 8 voet, Octaaf 4 voet en Octaaf 2 voet; van manuaal II Salicet 8 voet, Viola 8 voet, Gemshoorn 8 voet, Fluit 4 voet en Salicet 4 voet; van het pedaal Prestant 16 voet, Octaaf 4 voet en Octaaf 2 voet;
- de Trompet 8 voet is te zwak door de te korte bekers. De Koff plaatst een nieuwe beker op C. De overige bekers schuiven een halve toon op.
SLUITING NOORDERKERK
In 1974 besluit de Hervormde Gemeente Rotterdam tot sluiting van het kerkgebouw.
Ds. C.A. Korevaar leidt op 28 april 1974 de laatste dienst. Kort daarop wordt de kerk gesloopt. De orgelmaker Verschueren demonteert het orgel en brengt het over naar de werkplaatsen in Heythuysen. De tinnen frontpijpen alsmede C – E van de Prestant 16 voet worden om financiële redenen omgesmolten.